Rob Wijnberg over hoe media ons wereldbeeld vervormen

Geplaatst door

Nieuws is de grootste onopgemerkte verslaving van onze tijd. Nieuws is overal en non-stop.  Maar over de aard, het effect en de consumptie van nieuws zijn er nog maar bitter weinig wetenschappelijke teksten verschenen, vindt Rob Wijnberg. Volgens hem komt dat vermoedelijk voort uit het feit dat nieuws zo alomtegenwoordig is, dat het ons nauwelijks opvalt dat we erdoor worden omringd.

Wijnberg is journalist en filosoof. Van 2010 tot 2012 was hij hoofdredacteur van nrc.next. In 2013 richtte hij het journalistieke online platform De Correspondent op. In ‘De nieuwsfabriek‘ analyseert hij de mechanismen achter onze aandachtseconomie, en wil hij aantonen hoe de media ons wereldbeeld vervormen en burgers ontmoedigen om na te denken.

Rob Wijnberg’s scepsis ten opzichte van het nieuws begon bij het lezen van een essay. De Zwitserse schrijver Rolf Dobelli besloot van de ene op de andere dag te stoppen met het volgen van nieuws, bij wijze van experiment, en schreef er een essay over: ‘Avoid News: Towards a Healthy News Diet‘ (2012). De resultaten van zijn ‘nieuws dieet’ waren verbluffend en bevrijdend:  “Minder afleiding, meer tijd, minder angst, diepere gedachten en meer inzichten.” schrijft Dobelli.

Foto: Rolf Dobelli

Nieuws is voor het brein wat suiker is voor het lichaam“. Gemakkelijk te verteren stukjes informatie, vol lege calorieën, die je eventjes bezighouden, maar nooit echt een bevredigd gevoel geven. Je kunt zonder, maar als je er eenmaal van snoept, wil je er steeds meer van. Uiteindelijk maakt het je vooral ‘dik’ in plaats van wijzer. “Hoeveel van de tienduizend nieuwsberichten die je de afgelopen twaalf maanden hebt gelezen, hebben je in staat gesteld een betere beslissing te nemen over iets wat echt belangrijk voor je is?” vraagt Dobelli zich retorisch af.

Tekortkomingen van het nieuws

Rob Wijnberg fileert het nieuws in ons dagelijks leven, en stuit hierbij op drie fundamentele tekortkomingen: het nieuws gaat altijd over uitzonderingen, het nieuws is conservatief, en het is vaak helemaal niet nieuw.

Het nieuws gaat dus volgens Wijnberg in eerste instantie altijd over uitzonderingen. Incidenten, ongeregeldheden, uitglijders, ongelukken, ongevallen, tegenslagen, fouten. Kortom, het absurde en het niet-alledaagse. De invloedrijkste ontwikkelingen die onze wereld fundamenteel veranderen, zeg maar ‘de vooruitgang’, blijven structureel buiten beeld. Andersom geldt dat juist de uitzonderingen door het nieuws veel belangrijker, groter en problematischer lijken dan ze in werkelijkheid zijn. “Vooruitgang is een gestaag en vaak onzichtbaar proces, dat schijnbaar gemakkelijk te weerleggen is met een spectaculaire uitzondering erop. Maar de recente geschiedenis is één lange, overweldigende getuigenis van hoe de wereld jaar in jaar uit beter wordt dan ze is.

Daarmee is direct de tweede fundamentele tekortkoming van nieuw aan het licht gekomen: nieuws is conservatief. Nieuws zoomt in op ‘moreel verval’, ‘toenemende agressie’, ‘groeiende problemen’ en communiceert zo onbewust dat de wereld er vandaag slechter aan toe is dan gisteren.

De derde en misschien wel vreemdste tekortkoming aangehaald door Wijnberg, is dat het nieuws vaak helemaal niet nieuw is. Dit komt voornamelijk door ‘agendajournalistiek’: almaar terugkerende gebeurtenissen die, zonder dat er nieuwe inzichten of ontwikkelingen mee gepaard gaan, toch iedere keer weer als nieuws worden gebracht: kwartaalcijfers van grote bedrijven, jaarlijkse ramingen van bijvoorbeeld het Federaal Planbureau (of het Centraal Planbureau in Nederland), topconferenties van wereldleiders, enzovoorts.

Nieuws is ook nog op een fundamentelere manier repetitief. Rob Wijnberg: “Door de extreme bondigheid waaraan het meeste nieuws moet voldoen, wordt het publieke debat dat daaruit voortvloeit zeer statisch en voorspelbaar. Nieuwe perspectieven op een probleem of nieuwe ideeën waarmee de wereld op een andere manier kan worden begrepen, vereisen meer tijd, ruimte en uitleg om uit de doeken te doen dan in nieuwsbericht of het Journaal wordt gegeven. Doordat nieuws zich meestal beperkt tot één of twee citaten, een sfeerimpressie van dertig seconden of een uitleg van anderhalve alinea, blijft het publieke debat algauw steken in algemeen geaccepteerde zienswijzen. Anders gezegd, nieuws heeft de ingebakken neiging om bestaande (voor)oordelen te bevestigen en conventionele wijsheden te herkauwen.

Over de journalistiek als aandachtseconomie

In het eerste hoofdstuk van ‘De nieuwsfabriek‘ bespreekt Wijnberg de commercialisering van het nieuws. De journalistiek wordt volgens hem tegenwoordig meer op commercieel succes afgerekend dan op maatschappelijke relevantie. In toenemende mate bewegen onafhankelijke, ‘traditionele’ nieuwsmedia zich naar een verdienmodel, waarin de adverteerder als voornaamste klant fungeert en de lezer het ‘product’ is geworden. “Dé maatstaf, ook voor serieuze kwaliteitsmedia, is: bereikt een medium een voor adverteerders interessante doelgroep? Van belang is dan datgene waarin de doelgroep zich herkent of waarvoor deze zich interesseert.

Deze machtsverschuiving van lezer naar adverteerder heeft twee gevolgen, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Om met die eerste te beginnen: adverteerders kunnen hogere eisen stellen. Gewoon een ‘platte advertentie’ in de krant is niet meer voldoende – er moet meer waar voor het geld worden geboden. Zo stelde de NRC.nl advertentieafdeling Rob Wijnberg in zijn hoedanigheid van hoofdredacteur ooit voor om, in navolging van The Guardian, hun In Beeld-pagina aan een producent van fotocamera’s te verkopen. ‘In samenwerking’ zou er dan bij komen te staan, oftewel ‘sponsored content‘.

Nieuwsartikels over duurzame ontwikkeling, gesponsord door multinational Unilever.

Tweede gevolg is dat redacties steeds meer denken in termen van adverteerders. Voor een adverteerder is het door het overvolle medialandschap, van groot belang om te bepalen welke groepen mensen hij in welk medium met zijn reclames bereikt. ‘Doelgroepdenken’ dus. Dit denken heeft de afgelopen jaren ook de redacties van kwaliteitsmedia bereikt. Steeds meer onderdelen van bijvoorbeeld kranten worden toegespitst op het bereiken van een bepaald, voor specifieke adverteerders interessant publiek. Bijvoorbeeld de weekendbijlagen. “Een bijlage over aids in Afrika of armoede in Latijns-Amerika is ‘ver van ons bed’ en moeilijk te verkopen aan adverteerders. Met artikelen over de nieuwste mobieltjes of populairste vakantiebestemmingen trek je meer publiek en dus meer advertenties.

Papegaaiencircuit

Voor Wijnberg is het overduidelijk: nieuwsmedia zijn handelaren in aandacht geworden. Want zonder aandacht, geen inkomsten uit advertenties. Journalistiek is, anders dan de termen ‘hoeder van de democratie’ en ‘controleur van de macht’ doen vermoeden, vooral een speler in de aandachtseconomie. Nieuws moet ons vooral bezighouden, of we er wijzer van worden is van secundair belang.

Een consequentie van deze aandachtseconomie is dat redacties van nieuwsmedia als de dood zijn om nieuws te ‘missen’. “Zo ontstaat het papegaaiencircuit dat onze hedendaagse nieuwsvoorziening zo kenmerkt: het televisiejournaal neemt over wat de grote persbureaus brengen, de kranten ontlenen hun voorpagina’s weer aan het journaal, de talkshows kopiëren op hun beurt de kranten, de nieuwssites verheffen de ‘opmerkelijkste uitspraken’ op tv weer tot nieuws, de columnisten becommentariëren dat nieuws weer in de kranten, enzovoorts, enzovoorts.” Apen apen apen na.

Problematisch is dat het kopieergedrag in de media zich vaak niet beperkt tot de onderwerpkeuze. Ook qua invalshoek en oordeel praten media elkaar voortdurend na. Goedkoper en gemakkelijker is om het dominante beeld dat uit berichtgeving elders naar voren komt, klakkeloos na te praten. Uitzoeken of het oordeel klopt, is te duur en tijdrovend.

Zo ontstaat over veel thema’s, gebeurtenissen en personen in het nieuws een dominant beeld dat, eenmaal gevestigd, bijna niet meer te ontkrachten is. Dit fenomeen noemt Rob Wijnberg ‘mediareductie’: iets of iemand in het nieuws wordt door eindeloze herhaling van een bepaald frame volledig gereduceerd tot één beeldbepalend aspect uit dat nieuws – meestal een uitglijder of fatale fout.

Over infotainment en slapstickjournalistiek

In het tweede hoofdstuk richt de auteur zijn pijlen op de infotainment in het nieuws. Er is inherent niets verkeerd aan infotainment. Problematisch wordt het volgens Wijnberg wel wanneer de ‘tainment’ zo overheersend is dat er feitelijk geen ‘info’ meer aan ten grondslag ligt: “Het gebrek aan vertrouwen in politici komt deels door de politici zelf, maar deels ook door slapstickjournalistiek. Uitglijders, versprekingen, scheldkanonnades: ze zijn geen bijzaak, maar de hoofdmoot in het publieke debat. De meest triviale momenten worden door serieuze nieuwsmedia stelselmatig tot ‘nieuws’ verheven en vervolgens eindeloos herhaald en oeverloos besproken, tot het moment dat niemand nog weet waar de discussie eigenlijk om begonnen was.

Waarom toch al die overdreven aandacht voor de relatiebreuk tussen Brad Pitt en Angelina Jolie? Waarom opent VTM Nieuws met een voetbalwedstrijd in eigen land, en niet met een burgeroorlog in het buitenland? Is het nu echt belangrijk om elke tweet van Amerikaans president Donald Trump de revue te laten passeren, en zo toe te geven aan steekvlampolitiek? De verklaring moet worden gezocht in artikel 1 uit de grondwet van de mediacratie: aandacht genereert aandacht.

De hang naar infotainment blijkt overigens niet alleen uit de onderwerpkeuze van nieuwsmedia. Vooral de stemmen die het publieke debat domineren laten zien hoezeer het nieuws ‘verentertaint’, vindt de auteur. In nagenoeg elk actualiteitenprogramma op televisie schuift elke dag een dozijn Bekende Vlamingen aan, die hun rol als opinieleiders uitsluitend te danken hebben aan het feit dat ze bekende mediapersoonlijkheden zijn. “Affiniteit met of deskundigheid ten aanzien van het gespreksonderwerp speelt hierbij geen enkele rol: een bekend hoofd en een stellige mening is voldoende.

Homo opiniens

Het aantal opiniepeilingen dat dagelijks tot nieuws wordt verheven is flagrant, schrijft Wijnberg in het derde hoofdstuk. Geen dag gaat voorbij of de zoveelste peiling van onderzoeksbureaus wordt als belangwekkend inzicht gepresenteerd in het nieuws. Niets kan ontsnappen aan de vraag: ‘Wat vindt u hiervan?’ Waarom het gevraagd wordt en wat al die meningen betekenen, doet nauwelijks ter zake. Als er maar iets gevonden wordt. Deze kritiek van Wijnberg doet mij persoonlijk spontaan denken aan een uitzending van het programma Basta waar de Vlaamse media serieus om de tuin werd geleid:

In kranten, in het journaal en op de radio is de vraag ‘kunt u dat eens uitleggen?’ of ‘hoe zit dat precies?’ verdrongen geraakt door de vraag ‘wat vindt u daarvan?’ of ‘wat is daarop uw commentaar?’ Opvallend is de ongekende snelheid waarmee de meningsvorming tegenwoordig tot stand komt.  Het duurt meestal niet langer dan een paar uur voordat een willekeurig onderwerp in het nieuws al door een heel leger aan politici, opiniemakers en journalisten van commentaar is voorzien.

Wijnberg omschrijft dit als ‘instantopinievorming’: “Kwaliteitsmedia noemen deze instantopinievorming vaak met een eufemisme ‘duiding’, maar daar is in de praktijk meestal geen sprake van. Duiding is een onderwerp van context voorzien, de informatie dus die nodig is om ergens een mening over te kúnnen hebben. Maar die stap wordt juist vaak overgeslagen ten faveure van het onmiddellijke oordeel. Nieuwsanalyses of duidingen zijn vaak niet veel meer dan verkapte en in veel gevallen voorbarige meningen in de vorm van een nieuwsbericht.

Toeval is moreel relevant

Rob Wijnberg is zeer kritisch ten opzichte van zwart-witdenken. Er is volgens hem niets mis met oordelen, maar tussen oordelen en véroordelen ligt een oceaan aan grijstinten. Hij verwijst vervolgens naar wat de Britse moraalfilosoof Bernard Williamsmoral luck‘ noemt:

Hiermee doelde hij op het feit dat toeval een centrale rol speelt in de alledaagse ethiek. Neem het feit dat moord strenger bestraft wordt dan poging tot moord. Een zwart-witdenker kan dit niet verklaren: waarom zou de moordenaar die toevallig zijn mes liet vallen ‘minder fout’ zijn dan de moordenaar die toevallig slaagde in zijn opzet? Toch is ons morele oordeel op grond van die toevalligheid anders – zoals we een ongeluk met dodelijke afloop de bestuurder ook zwaarder aanrekenen dan een ongeluk waarbij iedereen ongedeerd is gebleven. Oftewel: toeval is moreel relevant.

Juist om die reden is het publieke debat, zoals dat vaak in de massamedia gevoerd wordt, ook zo slaapverwekkend, vindt Wijnberg. Alles wordt naar de uitersten van de moraliteit gedrongen. Debatteren wordt op die manier niets meer dan een wedstrijdje tussen goed en fout, in plaats van een discussie over wat ertussen ligt. Dat toeval nauwelijks een rol speelt in de nieuwsvoorziening, is zelf overigens geen toeval. Toeval is namelijk, kort door de bocht gesteld, het ontbreken van een verhaal. En nieuws moet nu eenmaal een verhaal hebben.

Ontknopingsdrang en de waan van de dag

De toegenomen hogere omloopsnelheid van het nieuws heeft fundamentele, vaak onzichtbare consequenties voor wat nieuws is – en voor het wereldbeeld dat het bij zijn lezers, luisteraars en kijkers produceert. Eén van die consequenties is wat Rob Wijnberg ‘ontknopingsdrang’ zou willen noemen. Omdat nieuws na één, twee, soms drie dagen al te oud wordt gevonden, raken gebeurtenissen of ontwikkelingen met een langere tijdspanne algauw buiten beeld in de media.

De meeste ontwikkelingen (bewegingen, opstanden, revoluties, klimaat, energiecrisis…) zijn te traag en de blik van de media te momentaan. Nieuws is zo gebeurtenisgedreven dat structurele veranderingen aan het oog worden onttrokken.

Deze voorkeur voor incident boven structuur, voor uitzondering boven regel, voor vandaag boven morgen, kennen we als de ‘waan van de dag’. Alles ouder dan vierentwintig uur is bijna per definitie geen nieuws meer. “Die beperkte houdbaarheidsregel bepaalt niet alleen wat nieuws is, maar heeft ook een niet te onderschatten invloed op de samenleving als geheel, met name op de politiek. Spoeddebatten en parlementaire vragen zijn onder invloed van het nieuws fors toegenomen.“, merkt Wijnberg terecht op. “Nieuws maakt politici en bestuurders dus, letterlijk, meer gericht op de korte termijn.

Overvloed aan ‘crisis’

Nieuws confronteert ons onafgebroken met het meest mistroostige beeld dat van de wereld denkbaar is. Het is één lange aaneenrijging van wat er fout gaat in de wereld: natuurrampen, ongelukken, brandhaarden, oorlogen, aanslagen, epidemieën, moorden, verkrachtingen, overvallen, schietpartijen, martelingen, gevechten, kapingen, gijzelingen, recessies, depressies, faillissementen, massaontslagen, inflatie, schulden, bezuinigingen, protesten, omvallende banken, corrupte politici, falend toezicht, omkoping, afpersing, hongersnood, armoede, onderdrukking, censuur, milieuvervuiling – en ga zo maar door.

Voor Wijnberg is vooral de opkomst van de massamedia een bepalende factor in het verlies van het geloof in de vooruitgang: “Hoewel we gelukkiger, gezonder, veiliger en rijker zijn dan ooit tevoren, doet het nieuws vermoeden dat de wereld onderhevig is aan permanent moreel verval, toenemende criminaliteit en voortdurende economische malaise.  […] Nieuws kent een soort overvloed, namelijk die van de term ‘crisis’ – of een equivalent ervan. Zoals de officieuze wetten van het nieuws voorschrijven: drie incidenten zijn een trend en tien incidenten betekenen een crisis. Naast de mediamythe van het permanente verval van de wereld ontstaat zo ook een subcategorie aan mediamythes die je zou kunnen bestempelen als ‘structureel overschatte gevaren.’” Terrorisme en klimaatverandering zijn daar volgens Wijnberg de meest sprekende voorbeelden van.

Nieuws heeft een chronisch gebrek aan historisch perspectief, vindt hij. Het gaat altijd over nu. En als er al historische vergelijkingen worden gemaakt, dan is het meestal met de afgelopen week, het kwartaal ervoor of een jaar geleden. Voor de meeste ontwikkelingen is dat een tamelijk nietszeggend tijdsbestek.

De 9 geboden van Wijnberg

Tot besluit van zijn boek, formuleert de auteur de negen geboden voor een ideale krant of nieuwsmedium:

  1. Dagelijks, maar voorbij de waan van de dag. Niet de uitzonderingen, maar de regels en structuren achter het nieuws zouden vaker in beeld moeten worden gebracht. Van belang is ook niet de snelheid waarmee de journalist reageert op gebeurtenissen, maar de manier waarop: die moet de lezer nieuwe inzichten bieden in hoe de wereld werkt.
  2. Tegen clichébevestigende beeldvorming. Door onder meer context, nuance en relevantie zwaarder te laten wegen dan actualiteit.
  3. Geen binnen- en buitenland, maar thema’s en dwarsverbanden. De ideale krant trekt geen grenzen, niet in de organisatie en niet in de wereld. Redacteurs schrijven over de euro, over digitale techniek, over leren en studeren, over politie en justitie, over klimaatverandering en alternatieve energiebronnen… kortom, over alles wat ertoe doet. De leidraad is relevantie, niet geografie.
  4. Journalistiek boven rendement. Het rendement voor aandeelhouders begrenzen tot vijf procent per jaar. Alle extra winst wordt verplicht geïnvesteerd in de krant zelf.
  5. Van abonnee naar aandeelhouder. Een ideale krant zou een duurzame relatie moeten aangaan met haar abonnees door ze naast abonnee ook mede-eigenaar van de krant te maken. Zo verbindt de lezer zich niet alleen aan het lezen van de krant, maar ook aan het voortbestaan ervan. Om de redactionele onafhankelijkheid te waarborgen, heeft de abonnee geen zeggenschap over de inhoud, de keuzes en de koers van de krant, maar wel medezeggenschap over zijn deel van het rendement.
  6. Geen advertenties. Omdat men niet naar winstmaximalisatie streeft, is er dus ook geen noodzaak meer om advertenties te werven.
  7. Geen doelgroepen, maar geestverwanten. De krant wordt niet gemaakt om een bepaalde groep mensen te bereiken die toevallig tot dezelfde demografische categorie behoort. In plaats daarvan spreekt de ideale krant liever van geestverwanten. Iedereen die zich verwant voelt met de journalistieke principes, de auteurs en de kijk op de wereld van de krant, is welkom.
  8. Geen politieke ideologie, wel journalistieke idealen. Zijn ideale krant is onafhankelijk, maar ook subjectief: slechts twee kanten van ieder verhaal laten zien is niet voldoende, de journalist moet ook uitzoeken welke kant het geloofwaardigst is en waarom. Journalisten moeten oordelen, niet door een bepaalde politieke ideologie aan te hangen, maar door zich als scheidsrechter in de beeldvorming op te stellen.
  9. Digital only. De ideale krant is een volledig digitaal medium. De enorme hoeveelheid geld die daarmee bespaard wordt, kan zo worden gestoken in betere journalistiek. Artikelen kunnen worden bewaard en de redactie kan digitale dossiers aanleggen van maatschappelijk belangrijke thema’s. Zo ontstaat na verloop van tijd het nieuwe nieuws: gelaagde, multidimensionale naslagwerken, rijk aan context, die zowel voor leken als experts begrijpelijk en waardevol is.

Zelf lezen

Verkrijgbaar via het partnerprogramma met bol.com: